Gustaaf behoorde tot de militielichting 1914. en kwam op 27 september 1914 in actieve dienst Tak M

Vervaet Gustaaf

(bron: Luc Donners)

Gustaaf werd op 27 augustus 1894 geboren te Heusden. Hij was de tweede zoon van Petrus Francis Vervaet en Constantia Gabriël. Zijn kwartierstaat geeft een overzicht van zijn voorouders. Het gezin Vervaet was een landbouwersgezin. Zijn moeder overleed te Heusden op 5 december 1912. De ongehuwde Gustaaf was volgens het bevolkingsregister ook landbouwer. Hij woonde met zijn vader en zijn broers op de wijk ‘Dries’ in de Rendekensstraat.

Gustaaf behoorde tot de militielichting 1914. en kwam op 27 september 1914 in actieve dienst. Tot februari 1915 kreeg Gustaaf zijn opleiding in het Opleidingscentrum van Caen. Op 25 februari 1915 kwam Gustaaf als soldaat met stamnummer 29550 terecht bij het 1e Regiment Jagers te Voet. Hij maakte deel uit van 1 Bn 4 Cie. Op dat moment begon voor de soldaten een rustpauze na een periode aan het front in de ondersector van Pervijze. Gustaaf had dus een rustig begin aan het front.

Gustaaf Vervaet

Vanaf eind oktober was de oorlog vastgelopen in een uitzichtloze stellingenoorlog. Zoals overal aan het front moesten de soldaten van het 1e Regiment Jagers te Voet niet alleen de loopgraven bewaken maar ook zware werken uitvoeren die door de penibele situatie aan het front absoluut noodzakelijk waren. Werkzaamheden, wacht lopen en korte rustperiodes wisselden mekaar af. Door het drassige en open terrein werden alle verdedigingswerken uitgevoerd met ‘aangevoerde’ materialen. Deze werken gebeurden soms op minder dan vijftig meter van de vijandelijke linies en vaak op plaatsen die regelmatig werden beschoten. De patrouilles, verkenningen en bevoorrading (met munitie en voedsel) konden alleen ’s nachts gebeuren. Vaak lagen de aanvoerwegen, de pistes en de loopbruggen immers onder Duits mitrailleur- of artillerievuur. Het leven in slijk en water, onvoldoende voeding, de erbarmelijke staat waarin de uitrusting, het ontbreken van nieuws van familie en vrienden in bezet gebied en de Duitse aanvallen waren de beproevingen die de soldaten moesten doorstaan.

Ondanks de laconieke officiële mededelingen was het leven in de loopgraven in de periodes zeker niet vrij van gevaar. Hier en daar probeerde men toch terrein te winnen op de tegenstander door boerderijen en huizenblokken die boven het water uitsteken, in te palmen. En de Duitsers probeerden natuurlijk hetzelfde te doen.

Gustaaf en de andere soldaten van zijn regiment waren van 3 tot 21 maart 1915 aan het front in de ondersector Oostkerke. Dan volgde zeven dagen rust. Van 28 maart lagen ze in stelling in de ondersector Stuivekenskerke. Op 14 april werden ze daar afgelost. De soldaten kregen weer enkele dagen rust. En op 22 april was het 1e Regiment Jagers te Voet weer in de ondersector van Oostkerke aanwezig. In de nacht van 9 op 10 mei moest een groepering van drie compagnies (onder ook de 4e Compagnie met Gustaaf) een Duitse stelling (‘de Petroleumtanks’) aanvallen. Deze stelling bevond zich op de linkeroever van Ijzer ongeveer 700 meter ten noorden van mijlpaal 16. De aanval over een onderwater gelopen terrein dat door diepe grachten was ingesneden, mislukte. Op minder dan 75 meter van het doel stopten Duitse mitrailleurs de aanval. De voorafgaande Belgische artilleriebeschieting had de Duitse lijnen niet genoeg getroffen. In de nacht van 10 op 11 mei en nog een keer in de nacht van 11 op 12 mei voerden dezelfde eenheden (nu versterkt met pelotons van het 2e Bataljon) de aanval opnieuw uit. Ze boekten een beetje terreinwinst maar het eigenlijke doelwit kon niet veroverd worden. De stellingen die hier bereikt werden, lagen aan de basis van de stelling die later de tragische naam ‘Dodengang’ kreeg.

gesneuveld als soldaat bij het eerste regiment te voet

Tijdens deze gevechten sneuvelde Gustaaf. Hij was vermist na de gevechten. Omdat er geen overlijdensakte werd opgesteld sprak de Rechtbank van Eerste Aanleg op 3 maart 1925 een vonnis op rekwest uit dat het ‘volgens bijgaande stukken het voor vaststaand dient gehouden dat’ Gustaaf sneuvelde te Oostkerke op 11 mei 1915.

In Gijverinkhove schreef oorlogsvrijwilliger Deckers om 20.30 in zijn dagboek de ‘belevenissen’ van die dag. Ze staan in schril contrast met wat zich niet zo ver daar vandaan had afgespeeld: ”
De avond valt over het vlakke land. De geluiden worden schaarser, het kanon zwijgt. De mannen van de compagnie zijn bijeen op het kruispunt. Eén van hen speelt fluit, ze hebben allen mieren in de benen en beginnen koddig te dansen, springen op één been en gooien het andere de lucht in. Met hun zware stemmen begeleiden ze de fluit. Melodietjes als “Tipperary” en “Puppchen” hebben veel succes. Om te eindigen brullen ze de Brabançonne.
Ik schrijf deze notities neer bij kaarslicht op de strozolder van de ‘Afspanning De Abeele’, het kantonnement van mijn peloton.
Het was een leuke dag, vanmorgen hebben we de wapens gepoetst in een nabije weide. Vanmiddag was er – toevallig – inspectie en theorie in strategie.
In kleine groepjes zijn we dan wat gaan zwemmen in een poel op vijf minuten hier vandaan. We hebben genoten van het water en de pittoreske omgeving. Het golvend landschap biedt meer afwisseling dan in de streek Nieuwpoort-Ramskapelle. De natuur is hier prachtig.
Na het bad speelden we een partijtje voetbal met de sergeanten en onderluitenanten. Daarna genoten we met vieren van een prettig partijtje bridge op het gras. De commandant begon met ons op een familiaire toon te parten toen we in zijn omgeving waren. Zo is hij echt aardig, op die manier kan ik hem waarderen.
We krijgen beschermingsmiddelen tegen stikgas: proppen die achteraan het hoofd zijn vastgemaakt met touwtjes. Tot net onder de ogen is het gezicht helemaal bedekt. Het lijkt echt carnaval.”

Gustaaf kreeg geen frontstrepen maar postuum wel eretekens: de Overwinningsmedaille, Ridder in de Orde van Leopold II met Palm, het Oorlogskruis en de Herinneringsmedaille. Dhr Herman De Clerck (uit Pervijze) stelde uit zijn verzameling het bidprentje van Gustaaf ter beschikking.

Comments are closed.